#lokaalsociaal: armoedebeleid Erpe-Mere s.pa Groen!

Voorwoord

In de vragenlijst hebben we een aantal beleidspistes aangegeven waar we achterstaan. Die pistes geven aan op welke manier wij denken kansen te geven aan mensen in armoede. In ons definitief programma zal je de antwoorden op de vragen terugvinden op verschillende plaatsen. We gaan er immers vanuit dat armoedebestrijding een doelstelling moet zijn die over alle beleidsdomeinen heen wordt gerealiseerd. Gelet op de inkanteling van OCMW in de gemeente, willen we die doelstelling garanderen door een schepen de bevoegdheid van Armoedebestrijding te geven. Naast specifieke maatregelen dient die schepen erover te waken dat die beleidsdoelstelling wordt gegarandeerd over alle domeinen heen en de nodige budgetten worden gegarandeerd.

Maar vooraleer in te gaan op de vragen, graag eerst nog een aantal algemene bedenkingen. We menen dat armoede een structureel probleem is, dat te maken heeft met de manier waarop onze maatschappij en economisch model is georganiseerd. Hoewel wij streven naar een ander maatschappijmodel, menen we dat we armoede op lokaal vlak alleen maar kunnen verzachten, omkaderen, helpen, begeleiden, ….  maar dat structureel probleem niet fundamenteel kunnen omdraaien. Bovendien zijn we ervan overtuigd dat een aantal maatregelen die zouden kunnen leiden tot een eerlijker herverdeling op federaal en Vlaams niveau moeten worden genomen. Tot onze spijt zien we daar eerder een omgekeerde beweging: degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen, hogere energie- en waterfacturen, minder pensioenen voor onvolledige loopbanen, minder gelijkgestelde periodes die meetellen voor pensioen en SWT, minder ziekteuitkering voor wie aan een lager loon het werk deeltijds hervat, uitstellen van plannen inzake sociale woningbouw tot 2025 enz. enz. De toename van tijdelijke en onzekere jobs, en ook jobs zonder enige sociaal statuut op de platformeconomie zoals ¨Deliveroo of Über, zorgen er ook voor dat werk op zich geen uitweg betekent uit armoede. Daarom pleiten wij op die niveau’s nu al voor een jobgarantie. Iedereen die wil en kan werken, willen we een basisbaan aanbieden aan een volwaardig loon en volledige sociale bescherming. We wensen ook een gegarandeerd pensioen van 1.500 euro per maand en willen elk gewerkt uur en mantelzorg laten meetellen voor het pensioen.

Voor ons is armoedebestrijding een prioriteit. We kunnen niet aanvaarden dat mensen omwille van hun inkomen minder kansen krijgen, dat kinderen worden uitgesloten van sportactiviteiten, dat mensen verplicht zijn te wonen in vochtige huizen van slechte kwaliteit enz. Maar voornoemde maatschappelijke evoluties en beleidskeuzes, zorgen ervoor dat we lokaal zeer creatief zullen moeten zijn. Door bijvoorbeeld ook op gemeentelijk vlak te streven naar een eerlijke lokale belastingen. Door aandachtig alle projectoproepen op te volgen en waar nodig projecten uit te schrijven en subsidies aan te vragen. Maar ook door samen met jullie te overleggen waar de prioriteiten liggen en waar geld in moet worden geïnvesteerd. Het heeft immers geen zin allerlei wilde ideeën te gaan financieren die niet gedragen worden en uiteindelijk tot niets leiden. Dat wekt alleen maar frustratie en teleurstelling op.

Daarom zouden we het op prijs stellen indien we met jullie in dialoog zouden kunnen gaan over onze beleidsvoorstellen, liefst nog voor ons programma definitief wordt goedgekeurd. Want we zien dit niet als voorstellen die te nemen of af te kraken zijn, dat lijkt ons oude politieke cultuur, maar eerder als voorstellen die we jullie willen voorleggen, die kunnen bijgestuurd of geschrapt worden, zodat we samen onze schouders kunnen zetten onder de definitieve beleidsvoorstellen en ze daadwerkelijk gaan realiseren. Uiteraard met een portie bevlogen idealisme, want dat zit in onze genen en is soms nodig om zaken in beweging te krijgen. Maar bevlogen idealisme staat of valt met mensen. Mensen zoals wij en jullie die er samen willen voor gaan.

Anja Vanrobaeys

Gemeenteraadslid sp.a Groen!

Investeren in armoedebestrijding

Erpe-Mere was één van de eerste gemeenten die één secretaris aanstelde voor OCMW en gemeente en de personeelsdienst samenvoegde. De huidige bestuursmeerderheid pakt graag uit met deze operatie waarbij ze stellen dat die de efficiëntie verhoogt en minder kost. Het geld dat hiermee vrijkomt, kan dan terugvloeien naar de burger.

Uiteraard hebben we niets tegen efficiëntiewinst door intern diensten samen te laten smelten, maar we zouden hierbij al een eerste kanttekening willen maken. Het feit dat er één secretaris is aangesteld voor OCMW en gemeente, levert momenteel geen besparing meer op. Gemeenten zijn verplicht de “dubbele” secretaris een hoger loon te geven als directeur, daarnaast wordt hij ook bijgestaan door adjuncten, waardoor de besparing op vlak van loonkost quasi wegvalt.

Personeelsdienst, ICT samenvoegen en gezamenlijke aankopen doen voor zowel OCMW als gemeente levert dan wel weer een besparing op. Opnieuw hebben we niets tegen dergelijke efficiëntiewinsten, maar daarvoor was geen inkanteling nodig van OCMW in de gemeente, dat kon ervoor ook al. Wel zal volgende legislatuur de OCMW-raad verdwijnen, de gemeenteraad zal die taken overnemen, er blijft alleen nog een sociale commissie die voor de individuele dossiers zal instaan. Daarom is het belangrijk dat de fusie van OCMW en gemeente gepaard gaan met de nodige budgettaire garanties voor armoedebestrijding.

Die garanties zien we momenteel niet. Integendeel, terwijl de inkomsten van de gemeente de laatste tien jaar zijn gestegen tot 12 miljoen euro per jaar en het gemeentebudget steeg tot 20 miljoen euro per jaar, met een overschot van ongeveer 10 miljoen euro per jaar, bleef het OCMW-budget sinds 2007 stabiel op gemiddeld 1,5 miljoen euro per jaar (tot budget 2018). Een dieptepunt beleefden we in 2013 toen 700.000 euro overschot van het OCMW in reserve werd gehouden voor de brandweerhervorming.

We pleiten er dan ook voor dat, in samenwerking met mensen in armoede, de noden in kaart worden gebracht, wordt vastgesteld welke de OCMW-uitgaven momenteel zijn en hoe die in de toekomst zullen evolueren. Die transparantie over de huidige en toekomstige middelen moet toelaten dat minstens de besparingen door efficiëntiewinsten opnieuw worden geïnvesteerd in armoedebestrijding en niet gaan naar andere beleidsdomeinen.  

Omdat iemand een menswaardig bestaan garanderen iets is anders dan een koers of zomerconcert organiseren of zelfs een cultuurhuis bouwen, vinden we dat op basis van dit overleg met mensen in armoede in de volgende meerjarenbegroting het budget voor armoedebestrijding moet worden vast gebeiteld.

Naast het terugvloeien van efficiëntiewinsten, menen we dat er ook een inhaaloperatie nodig is en dat de middelen voor armoedebestrijding, net zoals de inkomsten uit de belastingen en het gemeentebudget, minstens moeten stijgen tot 10% van het gemeentebudget en gebracht worden op 2 miljoen euro per jaar. Met 10% van de middelen, zitten we net boven de 7% van de inwoners in bestaansonzekerheid, waardoor er iets meer ruimte is voor maatregelen waar inhaaloperaties noodzakelijk zijn, zoals bijvoorbeeld op vlak van wonen. We vinden dat een schepen van Armoedebestrijding erover moet waken dat het budget hiervoor elk jaar wordt vrijgemaakt en/of de beleidsdoelstellingen worden gehaald, en dit over de verschillende beleidsdomeinen heen. Die evaluatie moet ook worden teruggekoppeld naar de groep die meebeslist heeft over de noden, het budget en de prioriteiten. Hij of zij staat ook in voor de armoedetoets op het lokale beleid. Binnen deze bevoegdheid werkt de schepen ook aan een goede integratie van het OCMW in de gemeente en een lokale armoedetoets.

Voor ons maakt participatie van mensen in armoede deel uit van het beleid. Daarom leggen we liever geen prioriteiten vast in ons antwoord, maar willen we de prioriteiten voor armoedebestrijding samen met mensen in armoede vastleggen. Voor ons betekent participatie niet alleen overleg, maar ook openstaan voor kritiek en onafhankelijke standpunten. Participatie gaat ook verder dan inspraak, we kunnen overleggen over de manier waarop we iets aanpakken, overleggen of en waar bijsturing nodig is, maar participatie betekent ook meebeslissen; willen jullie een budget inzetten voor een sociaal restaurant of liever een ruilwinkel of liever een hoger leefgeld. Hoe willen jullie de ruilwinkel inrichten? Welke aanbod is voor jullie belangrijk?

Mensen in armoede moeten ook kunnen participeren binnen een veilige omgeving. Wanneer ze knelpunten signaleren binnen de dienstverlening, dan mag dit geen negatieve impact hebben op hun individueel dossier.

Wonen

Ondanks de dure beloftes van alle meerderheidspartijen op jullie verkiezingsdebat in september 2012, is de doelstelling van 140 extra sociale huurwoningen (bindend sociaal objectief is 131 extra sociale huurwoningen) tegen 2020 niet behaald. We blijven in Erpe-Mere al meer dan 20 jaar wachten op de bijkomende sociale huurwoningen in de Ninovestraat, die momenteel wel in aanbouw maar nog steeds niet afgewerkt zijn. Ondertussen beweegt er weinig op de sociale woningmarkt, ook vanuit Vlaanderen. De belofte om in Vlaanderen tegen 2020 23.000 sociale woningen bij te bouwen is ondertussen al verschoven naar 2025.

Het is blijkbaar ook moeilijk geactualiseerde cijfers te krijgen van hoeveel mensen in Erpe-Mere op een wachtlijst voor een sociale woning staan. De laatste omgevingsanalyse dateert van 2013 en vermeldt maar liefst 954 wachtenden in onze gemeente (hier kunnen dubbeltellingen bijzitten, aangezien we bij gebrek aan beter de wachtenden per deelgemeente heb opgeteld). De meeste kandidaten zijn alleenstaanden of alleenstaanden met 1 kind tussen de 30 en 45 jaar. Maar we hebben geen idee welk profiel die mensen hebben. Nochtans stelt het Netwerk tegen Armoede een verschuiving vast in de profielen van de mensen die bij hun organisaties komen aankloppen (meer vluchtelingen, éénoudergezinnen en mensen met psychische problemen). Is dit ook zo voor Erpe-Mere en zijn het net die mensen die op de wachtlijst belanden of zijn het andere zoals bijvoorbeeld gepensioneerde alleenstaanden met een IGO? We hebben er het raden naar.

Nochtans zouden we dat graag weten. Naargelang het profiel van die mensen, kan je ook beter werken aan een aanbod op maat. Indien dit in Erpe-Mere ook het profiel zou zijn van mensen op de wachtlijst, dan zou je bijvoorbeeld kunnen denken aan collectieve woonvormen waarbij die mensen elkaar zouden kunnen ondersteunen. Zo heeft het SVK Oostende een appartement gekocht waar alleenstaanden met kinderen terecht kunnen in de moeilijke periode na de echtscheiding. Naast collectieve wasruimtes, kunnen zij elkaar ook ondersteunen om eens elkaars kinderen op te vangen. Ook voor mensen die het psychisch moeilijk hebben, zou bijvoorbeeld in een kleinschalige collectieve woonvorm samenwerking kunnen worden voorzien met thuisbegeleidingsdiensten of bijvoorbeeld De Kanteling in Herzele die voor mensen met ASS een dagbesteding aanbiedt.

Zonder volledig beeld is het uiteraard bijzonder moeilijk een goed onderbouwd beleid te voeren rond betaalbaar wonen. We pleiten dan ook voor een gemeentelijk actieprogramma inzake sociale woningbouw. In eerste instantie moeten de cijfers worden geactualiseerd: hoeveel mensen staan hoelang op een wachtlijst, welke is hun gezinssamenstelling, wat is hun profiel, wie ontvangt een huursubsidie, maar ook wat is het huidig aanbod en welke projecten kunnen bijkomend met subsidies worden gerealiseerd. Eens dat plaatje duidelijk is, kan in overleg met alle betrokken partijen zoals huisvestingsmaatschappijen, het Sociaal Verhuurkantoor, de betrokkenen zelf gekeken worden hoe het aanbod op die noden kan worden afgestemd. Gelet op de vergrijzing, moet hierbij ook worden nagegaan of een verruiming van het aanbod sociale assistentiewoningen nodig is, want niet elke gepensioneerde kan zich een dure seniorenflat veroorloven. Dat actieprogramma wordt jaarlijks geëvalueerd en bijgestuurd waar nodig.

Vervolgens komt het erop aan met die noden aan de bel te trekken van socialewoningmaatschappijen en de Vlaamse regering om alsnog een deeltje van de middelen te kunnen krijgen voor sociale woonprojecten in Erpe-Mere. Gelet op de middelen die hiervoor op Vlaams niveau worden vrijgemaakt en de hoge noden, verwacht ik niet dat die middelen voor Erpe-Mere zullen volstaan om het sociaal objectief te halen. Ook voor sociale huurwoningen verkiezen we inbreidings- en renovatieprojecten in plaats van extra groene ruimte aan te snijden.

In ieder geval moet de opbrengst van de leegstandsbelasting die schommelt rond de 45.000 euro per jaar, geïnvesteerd worden aan sociaal huren. Dat bedrag wordt momenteel besteed aan woonbeleid, maar woonbeleid is ruimer dan betaalbaar en sociaal huren. Van dat bedrag zou bijvoorbeeld een gemeentelijke huurpremie kunnen worden uitbetaald om de 4 jaar wachttijd te overbruggen op de Vlaamse huurpremie voor gezinnen met een laag inkomen die meer dan 4 jaar op een wachtlijst staan voor een sociale woning of we kunnen ermee de huursubsidie doorbetalen na de maximumperiode van 9 jaar indien er tegen dan nog geen sociale woning is gevonden. Ook kan overwogen worden om aan huurders die een woning huren via het SVK en die binnen de voorwaarden vallen van de Vlaamse premie, een sociale huursubsidie te geven, aangezien ze dan geen recht hebben op de Vlaamse premies.

Daarnaast moet de gemeente een actieve rol blijven spelen in het opsporen van beschikbare woningen en ter beschikking stellen van informatie over het SVK. Voor de leegstandsbelasting in werking treedt, spreken we de eigenaars aan over het alternatief dat een Sociaal Verhuurkantoor kan bieden om die belasting te vermijden, zelfs al is het tijdelijk in afwachting van een verkoop. Indien we op die manier onvoldoende betaalbare huurwoningen op de markt kunnen brengen, dan moet het SVK aangesproken worden om met het bijkomend budget (verhoging tot 10% van het gemeentebudget) zelf initiatief te nemen. Na al die jaren kunnen we immers niet meer aanvaarden dat bij elke verkiezing steeds dezelfde beloftes inzake betaalbaar wonen worden herhaald, in een rijke gemeente als Erpe-Mere verdient iedereen een warm dak boven zijn hoofd.

We aanvaarden op dat vlak echt geen schaarste meer. Armoede is geen individuele verantwoordelijkheid dus de samenleving is verplicht daarop een collectief antwoord te bieden. Nu lijkt het enige antwoord op dat gebrek aan betaalbare woningen polarisatie, waarbij bijvoorbeeld vluchtelingen en andere mensen in armoede zonder betaalbare en kwaliteitsvolle woning tegen elkaar worden opgezet, alsof de ene het recht op betaalbaar wonen van de andere inpikt. Ook het opjagen van mensen door hen boetes op te leggen voor hun “te grote” sociale woning wanneer hun kinderen uit huis zijn, is onmenselijk en vergroot opnieuw die polarisatie tussen verschillende bevolkingsgroepen in armoede. Veel van die mensen wonen er al 40 jaar, betaalden netjes hun huishuis en worden nu de dupe van deze gammele besparingsmaatregel. Sommige gezinnen betalen nu reeds meer dan 600 euro zonder energiekosten en worden nu nog eens beloond met een opslag van 32 euro per leegstaande kamer. Dit komt dus neer op een maandelijkse huur van om en bij de 650 euro, wie niet akkoord gaat met deze nieuwe regeling, kan wachten op een kleinere sociale woning of gaan huren op de privé-markt. Het gaat om mensen die er al 40 jaar wonen. Ze zijn ondertussen gepensioneerd en moeten gedwongen verhuizen. Hierdoor worden ze verder in armoede geduwd, want begin er maar aan om een huishuur te betalen op de privé-markt die nog hoger ligt. Het enige juiste antwoord hierop is voldoende betaalbare en kwaliteitsvolle woningen voorzien voor iedereen.   

Naast het aanbod, blijven we ook inzetten op de kwaliteit van deze woningen. Hiervoor sporen we eigenaars via bekendmaking van de bestaande premies aan over te gaan tot allerlei energiezuinige maatregelen.

Met betrekking tot discriminatie op de huurmarkt, toont onderzoek van het Steunpunt wonen aan dat zelfregulering op de private huurmarkt al een belangrijke bijdrage kan leveren in de strijd tegen discriminatie maar alleen niet voldoende is. Praktijktesten doen discriminatie op de huurmarkt wel dalen. Opnieuw verzuimt de Vlaamse overheid om voor de Vlaamse huurmarkt praktijktesten in te voeren, waardoor de verantwoordelijkheid wordt afgewenteld op het lokale bestuur, terwijl daarvoor in een kleine gemeente als Erpe-Mere noch de middelen noch de expertise voorhanden zijn. Toch vinden we dat de Gemeentelijke Woonwijzer al moet beginnen met een sensibilisering van de makelaars in zijn werkgebied zodat ze zich bewust zijn van hun vooroordelen. Op basis hiervan kan een Charter non-discriminatie worden opgesteld waarin makelaars het engagement opnemen niet in te gaan op discriminerende eisen van verhuurders. Vervolgens kan de Gemeentelijke Woonwijzer de online-tool van Unia inzetten dat een stappenplan bevat zowel voor organisaties die met wonen bezig zijn als voor kandidaat-huurders die zich gediscrimineerd voelen, om de discriminatie te bewijzen. Indien op basis van die tool een vermoeden van discriminatie bestaat, dan wordt dit doorgegeven aan Unia die eerst samen met de betrokkenen een oplossing probeert te vinden. Uitzonderlijk wanneer medewerking wordt geweigerd, stapt Unia hiermee naar de rechter. Uiteraard gaat dergelijk anti-discriminatiebeleid samen met een sterk integratiebeleid zodat een verdere mentaliteitswijziging kan worden ingezet.  

OCMW-dienstverlening

De vragen over het budget en de garantie dat het armoedebeleid niet ondergesneeuwd geraakt, zijn uitgebreid beantwoord in het deel “Investeren in armoedebeleid”.  

Voor ons is het decreet de aanleiding om de dienstverlening te herbekijken en bij te sturen waar nodig. De dienstverlening wordt bijgestuurd op basis van de opmerkingen van mensen in armoede en werkt meer outreachend dan nu het geval is of nog meer buitenshuis.

In ieder geval mag de aangeboden hulp niet afhankelijk zijn van het beschikbare budget. Iemand die in december een hulpvraag stelt, wanneer de voorziene budgetten voor aanvullende steun misschien al opgebruikt zijn, moet dezelfde steun krijgen als iemand die in januari een hulpvraag stelt. Eén en ander wordt dus best geobjectiveerd in een Charter die als handleiding kan worden gebruikt door de sociale werkers en de sociale commissie van de gemeenteraad. In dat Charter kunnen ook afspraken worden gemaakt over de samenwerking tussen beleid en ambtenaren of sociaal werkers, enerzijds gebaseerd op vertrouwen, anderzijds gebaseerd op de erkenning van de expertise en de onafhankelijkheid van de sociaal werkers.

Hoewel we daar lokaal de hefboom niet in handen hebben, weigeren we ook het contractdenken als verplichting door te trekken naar alle vormen van hulpverlening. Die manier van werken gaat immers uit van een gebrek aan verantwoordelijkheidszin bij mensen in armoede, terwijl tal van andere eerder externe factoren aan de basis liggen van hun situatie. Opnemen in of uitsluiten uit de bijstand mag niet gebaseerd zijn op louter formele regels, menselijke overwegingen zijn doorslaggevend.

Daarnaast wordt de aanvullende steun geobjectiveerd door de REMI-tool te gebruiken, die bepaalt hoeveel aanvullende steun nodig is voor welbepaalde gezinstypes. Bovendien kan deze tool ook beleidsdoelstellingen blootleggen die nodig zijn om leefsituaties van mensen in armoede te verbeteren en verder op te tillen naar een menswaardig bestaan.

Bij een hulpvraag of in een sociaal onderzoek moet systematisch worden nagekeken welke rechten de cliënt kan laten gelden. Dat kan gebeuren op basis van een lijst van rechten waar sociaal werkers kunnen op terugvallen om na te gaan of hun cliënten alle rechten benutten (Uitpas, sociaal tarief telecom, gas, elektriciteit, verminderd tarief kinderopvang, studiebeurzen, verhoogde kinderbijslag, huurpremies, inschrijving en actualisatie sociale huisvestingsmaatschappij, WIGWE … ) Het kan niet dat mensen hun rechten niet laten gelden omdat ze de weg niet kennen of omdat ze niet weten dat ze rechthebbend zijn. Het bewijst wel dat automatische rechtentoekenning een noodzaak is, welke op hoger niveau zou moeten worden geregeld.

Eénoudergezinnen zijn inderdaad makkelijk op te sporen via fiscale aangifte, mutualiteit en bevolkingsregisters. Omdat die doelgroep kwetsbaar is, haal ik hiervoor inspiratie bij andere OCMW’s die systematisch elk éénoudergezin bezoeken. Hiervoor kan een kinderadviseur worden aangesteld die systematisch éénoudergezinnen (los van hun inkomenssituatie) en gezinnen in armoede bezoekt, maar ook scholen, ouderavonden, kinderopvang bezoekt om andere ouders te bereiken.

Tijdens het bezoek van de kinderadviseur wordt nagegaan hoe het gaat en wordt bekeken welke het aanbod is voor gezinnen en/of gezinnen bepaalde rechten missen en die waar nodig samen met hen aanvragen. Naast de materiële steun, wordt ook immateriële steun aangeboden: hen uitnodigen naar de geefwinkel in het Huis van het Kind waar we voor specifieke doelgroepen buurtnetwerken (éénoudergezinnen, gezinnen met kinderen met een handicap, gezinnen met kinderen met ASS of andere ontwikkelingsstoornissen, … ) willen oprichten. Immers, gezinnen begrijpen en helpen elkaar als ze met dezelfde problemen zitten. We hopen daarvan een uitwisselingsplek te maken tussen ouders onderling, om te ontdekken dat andere dezelfde problemen ervaren, om mensen te leren kennen en elkaar als buren te steunen, om van elkaar te leren. Het is uiteraard niet onze bedoeling hiervan een soort vermaatschappelijking van de zorg te maken, het gaat meer om een aanklampend beleid : we zien die groep ouders enkel als aanvullende ondersteuning, maar het is ook een laagdrempelige ontmoetingsplaats, waar die ouders in contact kunnen komen met beroepskrachten en diensten, die ofwel zelf de nodige ondersteuning kunnen geven of hen kunnen doorverwijzen naar de juiste instantie, organisatie of beroepskrachten die hen verder kunnen ondersteunen.

Met betrekking tot het verlagen van drempels en outreachend werken, hebben we eerder al gepleit voor participatie van mensen in armoede. Eén van de onderdelen daarvan moet expliciet gaan over de bestaande en eventuele toekomstige drempels tot hulp- en dienstverlening. Soms wordt ervan uitgegaan dat de inkanteling van het OCMW bij de gemeente automatisch drempelverlagend zal werken, omdat nu iedereen gewoon naar het gemeentehuis gaat en niet meer wordt gezien wie het OCMW binnenstapt, maar die veronderstelling lijkt ons gewoonweg vals. Ook de stap naar Steenberg zetten kan al een stap teveel zijn die bepaalde mensen niet aankunnen of aandurven.   

Alleen wanneer opmerkingen vanuit de doelgroep serieus worden genomen, kunnen drempels afgebouwd worden. Uiteraard spelen brug- en vertrouwensfiguren daarin een belangrijke rol: huisartsen, andere mensen in armoede, verenigingen, buddy’s….. Het OCMW (dat als instelling op zich niet is afgeschaft, en nog steeds voorzien in federale wetgeving) zou via diepte-interviews en huisbezoeken zowel bij cliënten als niet-cliënten de verschillende drempels in kaart kunnen brengen (mobiliteit, faalangst, versnippering van het hulpaanbod waarbij verschillende hulpverleners het gezin begeleiden elk voor zijn specialiteit, psycho-sociale problemen, isolement, mondigheid, beeldvorming bij de hulpverleners, …) Hierbij kan de toegankelijkheidsscan van de VVSG ook als leidraad worden gebruikt. Op basis van de resultaten ervan kan een plan van aanpak worden opgesteld waarbij drempels systematisch worden aangepakt. Dit plan van aanpak wordt verder begeleid geëvalueerd door de participatiegroep.

Naast het inschakelen van het bestaande netwerk (artsen, thuisverplegers, mutualiteiten, Welzijnsschakels), komt het erop aan meer mensen zelf aan te spreken door doelgroepgerichte huisbezoeken (alle bejaarden, alle éénoudergezinnen) maar ook mensen uit hun isolement te halen door laagdrempelige ontmoeting te voorzien: soepbabbels maar ook bijvoorbeeld geefwinkel in Huis van het Kind met kinderkleding, schoolgerief en gezonde babyvoeding, een plukbos of plukbloembakken (geen bloemen maar klein fruit of groenten dat kan geplukt worden uit de bloembakken) in de dorpscentra, samen tuinieren in de gemeenschapstuintjes aan jeugdhuis Dido, mobiele sociale kruidenier, buddy-systeem voor eerste contacten en deelname, peuterspeeltuin met ouders in gemeenteschool om overstap naar kleuterschool makkelijker te maken, buurtoudernetwerken, gezamenlijke wasmachine in Huis van het Kind of ander buurthuis, buurtoudernetwerken vanuit Huis van het Kind…..  of mijn droom een wijkgezondheidscentrum (zouden dat ook willen koppelen aan vertrek muziekacademie in Huis van het Kind maar botsen op gebrek aan financiering hogere overheid). Het Welzijnshuis overkoepelt ism de verschillende gemeentediensten maar ook externe partners al die initiatieven zodat toeleiding en armoedebestrijding voor de verschillende betrokken diensten en partners een prioriteit wordt.

Eens dat proces in gang is gezet, kan de participatiegroep ook de andere gemeentediensten (jeugddienst, bibliotheek, cultuurhuis, … ) onder de loep nemen en voorstellen doen die drempelverlagend werken.

Onderwijs en opvoeding

Het Huis van het Kind willen we uitbreiden met een geef- of ruilwinkel voor kinderkledij, schoolgerief en babyvoeding. Ook een pamperbank of kinderfietsleendienst behoort tot de mogelijkheden. Dit materiële aanbod willen we koppelen aan het immateriële aanbod van Kind en Gezin, opvoedingsondersteuning, huiswerkbegeleiding maar ook aan de ouderbuurtnetwerken. Die ouderbuurtnetwerken zien we als een laagdrempelig initiatief waarbij ouders en gezinnen die in een gelijkaardige situatie zitten, elkaar ondersteunen. Het gaat daarbij nog niet onmiddellijk om materiële hulp, maar gewoon ontdekken dat andere ouders soms in dezelfde situatie zitten, naar elkaar luisteren en elkaar begrijpen. Het OCMW van Turnhout heeft om verbinding in oudergroepen te versterken een bordspel “van ’t één naar t’ ander” ontwikkeld waarin je tijdens spel in allerlei situaties terechtkomt waarbij je hulpverlening nodig hebt. Spelers kunnen elkaar helpen tijdens het spel en komen zo meer te weten over de bestaande dienstverlening.

Om dit in goede banen te leiden is uiteraard een uitbreiding nodig van de professionele krachten in het Huis van het Kind (kinderadviseur en organisatie/ondersteuning geefwinkels ism vrijwilligers) , want nogmaals het is niet de bedoeling hiervan een vermaatschappelijking van de zorg te maken, het gaat ons om een aanklampend beleid via informele ontmoeting die kan toeleiden naar hulpverlening waar nodig.

Wanneer meer mensen over de vloer komen in het Huis van het Kind, maar ook omwille van de toetreding van Lede, is een uitbreiding van de uren opvoedingsondersteuning noodzakelijk. Die kunnen zowel individueel maar ook in het groepsgebeuren worden ingezet. Naargelang de dynamiek van oudergroepen, kan een evenwicht tussen groepswerk en individuele ondersteuning worden vastgelegd.

De taalcoach is pas aangesteld door de gemeente, maar ook wij vrezen dat 7 u te weinig is om anderstalige ouders en kinderen te ondersteunen. We denken dan ook dat 21 uur noodzakelijk is, maar dat ook de voltijdse kracht van de intergemeentelijke samenwerking integratie naar Erpe-Mere moet komen om een aantal integratietrajecten te ondersteunen. Niet alleen in het onderwijs, maar ook in de dienstverlening zijn nog extra stappen nodig om de integratie verder te ondersteunen. Zo kan ism de taalcoach en de diversiteitsmedewerker van de intergemeentelijke samenwerking gewerkt worden aan eenvoudig communiceren met anderstaligen. Ze kunnen het gemeentepersoneel tips geven over eenvoudig communiceren met anderstaligen, maar ook pictogrammen of een wegwijsmap met foto’s maken om die communicatie makkelijker te maken. Die tools kunnen ook worden ingezet in de scholen. Het agentschap inburgering kan worden aangesproken voor een traject om de interculturele competenties van de medewerkers van de gemeente aan te scherpen. In dezelfde zin zijn we ook voorstander van een Babbeloniëgroep en een lokaal aanbod van Leerpunt in de gemeente. Voor de Babbeloniëgroep kunnen we ook nog zeggen dat er zich in de gemeente meer buddy’s hebben aangeboden om asielzoekers te begeleiden dan er zijn ingeschakeld. Die mensen zouden opnieuw kunnen worden aangesproken om in de Babbeloniëgroep een rol te spelen.

Erpe-Mere heeft zelf geen kinderopvanginitiatieven, de voorschoolse kinderopvang is in handen van privé-initiatieven zoals de dienst voor onthaalouders of zelfstandige crèches. Daarvan hanteren maar een beperkt aantal het inkomensgerelateerd systeem. Een aantal kinderopvanginitiatieven zien daar het nut niet van in, omdat de prijs dan hoger uitvalt dan nu voor de hogere inkomens. Andere hebben wel een aanvraag gedaan, maar moeten wachten op een erkenning. Naast sensibilisering van de initiatieven die daar het nut niet van inzien, zou de gemeente aan de kinderopvanginitiatieven die op de wachtlijst staan, al de subsidie kunnen toekennen in afwachting van hun erkenning (via een convenant met Kind en Gezin).  In ruil voor die subsidie, zou het kinderopvanginitiatief worden aangezet mee te werken aan drempelverlagende initiatieven, vanuit het buurtnetwerk zou een speelnamiddag in de crèche kunnen worden georganiseerd voor ouders en kinderen zodat op een informele manier kennis kan worden gemaakt met de kinderopvang en ouders ervan overtuigd geraken dat kinderopvang hen geen slechte ouders maakt.

Hetzelfde initiatief kan ook worden doorgetrokken naar de buitenschoolse opvang die de gemeente organiseert. In ieder geval hanteren grabbelpas, sportkampen, speelplein, Pimboli … het kansentarief.

In het inkomensgerelateerd systeem moeten ouders de bijdrage die ze per dag betalen, laten berekenen op de website van Kind en Gezin, wat niet altijd even evident is. Het moet via allerlei kanalen (huisbezoeken, speelmomenten, … ) duidelijk worden gemaakt dat ouders hiervoor terecht kunnen bij het OCMW en Huis van het Kind. Ook moet duidelijk zijn dat er een afwijking kan worden gevraagd op dat tarief bij het OCMW wanneer het inkomenstarief voor kinderopvang te hoog is, rekening houdend met de extra’s die moeten worden betaald voor pampers of andere producten.

Naast de financiële drempels, zijn er voor mensen in armoede nog tal van andere drempels om hun kind naar de kinderopvang te sturen. Sommige ervaren dit als hun kind afstaan, een eigen falen, andere zien het nut er niet van in omdat ze kinderopvang zien als iets voor werkende mensen. Kinderopvang is echter meer dan dat, het is goed voor de ontwikkeling van kinderen, maar geeft ook ruimte aan tijd voor de ouders om eens op adem te komen. Via het Huis van het Kind zou een kennismaking van ouders in armoede met de onthaalouders en opvanginitiatieven in Erpe-Mere kunnen worden georganiseerd. Daarbij zou de mensen elkaar kunnen leren kennen en kort de verschillende doelstellingen van kinderopvang kunnen worden uitgelegd. Ook speelnamiddagen met de ouders in de opvanginitiatieven behoren voor mij tot de mogelijkheden, zeker wanneer gemeentelijke subsidies worden gegeven in afwachting van de erkenning van het inkomensgerelateerd systeem door Kind en Gezin. Bovenlokaal zijn we voor een gratis en verplichte kinderopvang, net omwille van de voordelen van het kind. Kinderopvang wordt op die manier een recht zoals onderwijs.

Digitale kloof

Het verbaast me wel dat jullie in de vragenlijst niet ingaan op de digitale kloof. We gaven al het voorbeeld van de inkomensgerelateerde ouderbijdrage die alleen via de website van Kind en Gezin kan worden berekend. Uiteraard kan de gemeente, wanneer het rechten betreft, daarin mensen bijstaan. Maar als je weet dat de Vlaamse overheid tegen 2020 volledig digitaal zal zijn, dat banken en postkantoren sluiten en vervangen worden door apps, dat scholen werken via smartschool, dat een ticket van De Lijn goedkoper is via de app, …. Dan denken we dat de gemeente ook initiatieven dient te nemen om die digitale kloof te verminderen en daarin verder moet gaan dan een paar computers ter beschikking stellen in de bibliotheek of seniorencursussen organiseren. Om we met de gemeente ook willen inzetten op digitalisering, zonder hierbij andere kanalen op papier los te laten, zouden we jullie hierover graag wat vragen stellen, zodat we die kunnen meenemen in het programma voor de gemeenteraadsverkiezingen 18:

  • In welke mate ervaren jullie de digitale kloof? Wat vinden jullie van de webshop van de gemeente waarop kan worden ingeschreven voor grabbelpas, sportkampen, culturele activiteiten, enz.

  • Biedt de gemeente Erpe-Mere voor wat de rechten betreft hierop een afdoend antwoord en indien niet hebben jullie andere concrete voorstellen?
  • Is er interesse om hierrond te werken door bijvoorbeeld opleiding of vorming te voorzien in jullie lokaal (in de bib zijn er wel vormingen voor senioren, maar zijn die toegankelijk genoeg, ervaren jullie drempels?)
  • Moet het OCMW een tussenkomst voorzien voor aankoop computer, smartphone, abonnement? Vinden jullie dat ook essentieel om te kunnen deelnemen aan de samenleving?
  • Wat vinden jullie van het idee van een repaircafé waarbij de machines van het Fablab zouden worden ingeschakeld om kapotte stukken te printen, te frasen …. Is hiervoor interesse?

Nogmaals graag zouden we hierover in de komende maanden het gesprek met jullie aangaan. Want voor ons is het #SamenBurgemeester9420.  

Slot

In het beleid zouden we eerder focussen op grondrechten zoals betaalbaar wonen, betaalbare kinderopvang, automatische toekenning rechten, wegwerken drempels hulpverlening, objectivering aanvullende steun tot een menswaardig inkomen dan op leefstijlprojecten zoals sociale kruidenier, collectieve wasmachines. Wanneer iedereen menswaardig kan leven, dan is er immers minder nood aan dergelijke leefstijlprojecten. De sleutels voor zo een menswaardig bestaan zijn voor een deel in lokale handen, maar niet volledig. Daarom houden we toch vast aan een aantal leefstijlprojecten die een stuk armoede verzachten, maar vooral inzetten om ontmoeting, uit het isolement treden, ervaringen uitwisselen en elkaar versterken.